Welkom op de site van research in law   Click to listen highlighted text! Welkom op de site van research in law

Recht op informatie

Het belang van de legitimaris bij informatie.

Wie zijn legitimaris?Het begrip ‘legitimaris’ staat in artikel 4:63 lid 1 BW gedefinieerd.

Legitimarissen zijn de afstammelingen van de erflater die door de wet als erfgenamen tot zijn nalatenschap worden geroepen.In de praktijk wordt het begrip ‘legitimaris’ vooral gebruikt voor de legitimaris-niet-erfgenaam die een beroep heeft gedaan op zijn legitieme portie. Het begrip is echter ruimer en omvat zowel degene die de nalatenschap zuiver of beneficiair heeft aanvaard en degene die de nalatenschap heeft verworpen en bij het afleggen van de tot verwerping strekkende verklaring tevens heeft verklaard dat hij zijn legitieme wenst te ontvangen (de ‘contantenverklaring’), als degene die is onterfd en een beroep heeft gedaan op zijn legitieme. Het maken van aanspraak op de legitieme portie moet uiterlijk binnen vijf jaar na het overlijden van de erflater kenbaar worden gemaakt aan de erfgenamen.De legitieme portie is een vordering in geld. De wijze waarop de hoogte van de vordering van iedere legitimaris moet worden berekend, wordt dwingendrechtelijk voorgeschreven in artikel 4:65 tot en met 4:78 BW.

De legitimaris krijgt ingevolge het bepaalde in artikel 4:79 en 4:80 BW een vordering in geld op de gezamenlijke erfgenamen, dan wel op de echtgenoot van de erflater, dan wel op de begiftigde door inkorting zoals bedoeld in artikel 4:89 BW. Het belang van de legitimaris bij informatie over de periode vóór het overlijden van de erflater bij het doen van een beroep op de legitieme. In beginsel hebben alle legitimarissen er belang bij om te weten wat de omvang is van hun legitieme portie, zowel de erfgenamen als de niet-erfgenamen. Het belang dat de legitimarissen-niet-erfgenamen hebben bij het doen van een beroep op hun legitieme portie is evident, nu hun legitieme portie rechtstreeks afhankelijk is van de hoogte van de legitimaire massa. Maar ook de legitimarissen-erfgenamen kunnen er belang bij hebben een beroep te doen op (schending van) hun legitieme portie, namelijk wanneer zij volgens het wettelijk versterferfrecht, dan wel het testamentair erfrecht, minder ontvangen dan hun legitieme portie, zodat sprake is van (eventuele) schending van hun legitieme portie. Het is dan de vraag op welke rechtsgronden de legitimarissen, zowel de niet-erfgenamen als de erfgenamen, zich kunnen beroepen om de benodigde informatie te verkrijgen om hun legitimaire aanspraak te kunnen berekenen. Niet zelden heeft dit als complicerende factor dat de daartoe benodigde informatie zich uitstrekt over de periode vóór het overlijden van de erflater. Zo kan de legitimaris behoefte hebben aan inzage over de periode vóór het overlijden van de erflater indien hij onbekend is met eventueel door de erflater gedane giften in het verleden. Het vermoeden bestaat dan vaak dat er door de erflater vóór het overlijden giften zijn gedaan, waardoor de legitimarissen minder ontvangen dan waarop zij als legitimaris recht zouden hebben. Een aanwijzing dat door de erflater giften zijn gedaan, is bijvoorbeeld wanneer legitimarissen weten dat de erflater bij leven vermogend was en na het overlijden van de erflater opeens blijkt dat dit vermogen is verdwenen. Uit onderzoek naar de financiële situatie van de erflater over de periode vóór het overlijden kan dan bijvoorbeeld blijken dat iemand vóór het overlijden door de erflater was gemachtigd om over het vermogen van de erflater te beschikken en dat deze van de erflater omvangrijke geldbedragen heeft ontvangen, zodat de legitieme van de legitimarissen is geschonden. Indien kan worden vastgesteld dat het gaat om een gift in de zin van artikel 4:67 e.v. BW die voor de berekening van de legitimaire vordering in aanmerking moet worden genomen en de nalatenschap zelf niet toereikend is in de zin van artikel 4:80 lid 2 BW, dan wordt de legitimaire massa daarmee vermeerderd. In dat geval hebben de legitimarissen ingevolge artikel 4:89 BW een inkortingsvordering jegens de begiftigden. De begiftigden bij wie kan worden ingekort, kunnen zowel erfgenamen en legitimarissen-erfgenamen als derden zijn.2.3 Het belang van de legitimaris bij informatie over de periode vóór het overlijden van de erflater bij de (eigenlijke en oneigenlijke) inkortingIn dit artikel richten we ons op de (eigenlijke en oneigenlijke) inkorting van artikel 4:89 BW.

Iedere legitimaris (erfgenaam of niet) kan ingevolge artikel 4:89 BW giften inkorten voor zover deze afbreuk doen aan zijn legitieme portie. De legitimaris heeft bij uitstek deze mogelijkheid tot inkorting. Ingevolge artikel 4:80 lid 2 BW kan de legitimaris deze begiftigden pas aanspreken wanneer de nalatenschap zelf niet toereikend is om naast alle andere schulden van de nalatenschap de legitimaire vordering van de legitimaris te voldoen. Inkorting van een gift dient ingevolge artikel 4:90 lid 1 BW te geschieden door een verklaring aan de begiftigde.6 De bevoegdheid om een gift in te korten vervalt vijf jaar na het overlijden van de erflater of na een door de begiftigde gestelde termijn.7De legitimaris is gehouden vóór de afloop van de termijn van vijf jaar een verklaring uit te brengen. Ook om die reden is het voor de legitimaris dus van belang om te weten aan wie er voor inkorting vatbare giften zijn gedaan. Dit geldt met name wanneer later blijkt dat de nalatenschap het legitieme deel niet (geheel) kan uitkeren (art. 4:80 lid 2 BW). Dit is ook van belang wanneer de legitimaris erfgenaam is en ervan uitgaat dat zijn legitieme portie uit zijn erfdeel uit de nalatenschap kan worden voldaan. Indien vervolgens een procedure wordt gevoerd over de vraag of de legitimaire massa moet worden vermeerderd met een gift, wordt op deze vervaltermijn van vijf jaar vaak geen acht geslagen. Dit kan fataal zijn voor de legitimarissen indien de dagvaarding niet kan worden beschouwd als inkortingsverklaring, eenvoudigweg omdat de begiftigde geen partij is in de procedure, en later blijkt dat de waarde van de nalatenschap onvoldoende is om de vordering van de legitimarissen uit te keren. In dit verband kan worden verwezen naar de situatie van artikel 4:87 lid 3 BW, waarin zowel de inkortende legitimaris als de legitimaris die wordt ingekort eenzelfde evenredig deel van zijn legitieme portie verkrijgt.8 Wanneer daardoor hun legitieme portie wordt geschonden, kunnen zij het tekort terugvorderen door de voor inkorting vatbare giften tijdig in de zin van artikel 4:90 lid 1 BW in te korten.92.4 Tot hoever (terug) reikt het recht op informatie van de legitimaris?Zoals gezegd staan de giften die in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van de legitimaire vordering in artikel 4:67 e.v. BW.10 Bij giften aan derden geldt een termijn van vijf jaar vóór het overlijden van de erflater. Onder deze derden vallen ook de legitimarissen-niet-erfgenamen in geval van onterving, dan wel verwerping zonder voorbehoud van de legitieme portie. De giften in de zin van artikel 4:67 sub d BW die door de erflater aan een legitimaris zijn gedaan, dienen echter te allen tijde bij de berekening van de legitieme portie in aanmerking te worden genomen. Het is dan ook de vraag of deze inzage tot vijf jaar vóór de overlijdensdatum terug kan gaan of nog veel verder terug, en of daarvoor tussen de legitimaris-niet-erfgenaam en de legitimaris-erfgenaam verschil bestaat.

Iedere erfgenaam heft recht op inzage legitimaris belang heeft bij en recht heeft op inzage in de financiële situatie (waaronder bankafschriften) van de erflater over de periode vóór het overlijden van de erflater en of er daarbij verschil bestaat tussen het belang bij en recht op informatie voor de legitimaris-niet-erfgenaam en dat van de legitimaris-erfgenaam.1Van vitaal belang voor het vaststellen van de legitieme portie is bekendheid met de door de erflater gedane giften. Alleen door het verkrijgen van inzage kan daadwerkelijk worden geconstateerd of er niet méér giften hebben plaatsgevonden dan die uit eigener beweging door de erfgenaam c.q. executeur aan de legitimaris worden meegedeeld. Dit is met name van belang voor de legitimaris-niet-erfgenaam omdat dit per definitie van invloed zal zijn op zijn legitieme vordering. Voor de legitimaris-erfgenaam speelt dit een rol indien zijn legitieme portie daardoor wordt geschonden. Ons onderzoek richt zich er dan ook met name op in hoeverre de legitimaris-niet-erfgenaam de mogelijkheid heeft om (ook) inzage te krijgen in de financiële situatie voorafgaand aan het overlijden van de erflater en tot hoever terug deze inzage kan gaan.Indien blijkt dat de legitieme door de giften is geschonden en de nalatenschap onvoldoende waarde heeft om de legitieme vordering te voldoen, heeft de legitimaris jegens de begiftigde een beroep op inkorting.2 Hiervoor geldt de vervaltermijn van artikel 4:90 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zijnde vijf jaar na het overlijden van de erflater. Nader zal worden onderzocht of een vertraging in de aanlevering van deze informatie door de erfgenaam c.q. executeur aan de legitimaris ertoe kan leiden dat het beroep van de legitimaris op inkorting jegens de begiftigde vervalt indien dit om deze reden buiten de vervaltermijn wordt gedaan, en in hoeverre de erfgenaam c.q. executeur daarvoor aansprakelijk kan worden gesteld.Ten slotte zullen we nagaan of de wet beschikt over sanctiemiddelen wanneer het recht op informatie van de legitimaris wordt geschonden. Ook deze vraag dringt zich met name op voor de legitimaris-niet-erfgenaam omdat het belang van deze legitimaris veelal tegenstrijdig zal zijn met dat van de legitimaris-erfgenaam. Indien de legitimaris-erfgenaam geen schending van zijn legitieme heeft te verwachten, zal hij er immers geen belang bij hebben de legitimaris-niet-erfgenaam naar behoren te informeren over in het verleden gedane giften, omdat dit direct van invloed zal zijn op de hoogte van het door hem te verkrijgen erfdeel. Laat staan dat hij zal overgaan tot het actief opsporen van inkortbare giften. Daarbij komt nog dat het doen van rekening en verantwoording jegens de legitimaris-niet-erfgenaam niet geldt. De rechtsverhouding tot het doen van rekening en verantwoording bestaat slechts tussen de legitimarissen-erfgenamen in hun hoedanigheid van deelgenoten.3 Wat betreft de sanctiemogelijkheden vragen wij ons dan ook af in hoeverre de bescherming van de legitimaris-niet-erfgenaam zich verhoudt tot de bescherming van de legitimaris-erfgenaam.

Click to listen highlighted text!