Welkom op de site van research in law   Click to listen highlighted text! Welkom op de site van research in law

wetgeving dieren

images-1Voor de 19e eeuw bestonden er in Nederland nog geen speciale wetten om dierenmishandeling tegen te gaan of dieren op een andere manier te beschermen. Er werd niet of nauwelijks op gelet en zeker geen strafrechtelijke consequenties aan verbonden. Dat veranderde voorzichtig halverwege de 19e eeuw. Eerst was daar in 1864 de oprichting van de (voorloper van de) Dierenbescherming, daarna volgden door de jaren heen langzaam maar zeker de ene wet na de andere in een poging dieren tegen de onverschilligheid en wreedheid van de mens te beschermen.

Dierenwetten in de 19e eeuw:

1875 – Wet tot vaststelling van bepalingen en het voorkomen van hondsdolheid

Mede door de inspanningen van de nog jonge Vereeniging ter Bescherming van Dieren werd in 1875 in bovengenoemde wet een bepaling opgenomen, die het opzettelijk mishandelen van honden en katten strafbaar stelde. Dit was de eerste algehele strafbaarstelling van dierenmishandeling en tegelijkertijd het begin van wettelijke bescherming voor dieren in Nederland.

1880 – Nuttige Dierenwet

In 1880 kwam de eerste zogenaamde Nuttige Dierenwet, waarbij 67 vogelsoorten en enkele insecteneters (egels, bosspitsmuizen en vleermuizen) vanwege hun nuttige karakter voor de landbouw en houtteelt tot beschermde diersoorten werden verklaard.

1886 – Artikel 254 Wetboek van Strafrecht - erkenning van dierenmishandeling als misdrijf

Met deze erkenning verkregen alle dieren een (zij het nog bescheiden) vorm van wettelijke bescherming.

Dierenwetten in de 20e eeuw:

1910 – Trekhondenwet

De slechte behandeling van trekhonden werd aan banden gelegd; er kwamen voorschriften voor het gebruik van trekhonden. De houder van een hondenkar had een vergunning nodig en werd geregistreerd in het hondenkarregister. De hond, de kar ( die moest zijn uitgerust met een drinkbak en een ligplank) en het tuig moesten jaarlijks worden gekeurd. Er mochten niet meer dan 3 honden voor een kar worden gespannen.

1912 - Vogelwet

Alle vogels, ook die in het wild leefden, werden onder wettelijke bescherming geplaatst, met uitzondering van een aantal vogels, die specifiek als 'schadelijk' waren aangemerkt (ongeveer 60 soorten) of die als legitieme prooi van jagers golden. Deze wet was in feite een wassen neus. Het als schadelijk aanmerken van een vogelsoort was willekeurig; zelfs beschermde vogels (uit de lijst van 1880) konden plaatselijk als schadelijk worden aangemerkt. Vervolgens kreeg men dan vrij gemakkelijk een vergunning om deze vogels dan te bejagen.

1914 – Nuttige Dierenwet (opvolger van de wet uit 1880)

In deze nieuwe wet kwam er een wettelijke bescherming voor elk in het wild levend dier, dat als nuttig voor de land- en tuinbouw werd beschouwd.

1917 – Mollen- en Kikvorschenwet

Met deze wet, die voortvloeide uit de Nuttige Dierenwet van 1914, werden speciaal mollen en kikvorsen beschermd in verband met hun nut voor de land- en tuinbouw.

1919 – Mollen, Egels en Kikvorschenwet

Een vervanging en uitbreiding van de wet uit 1917 met de egel. De bescherming vanuit de Nuttige Dierenwet uit 1880 en daaropvolgend uit 1914 was blijkbaar niet afdoende voor deze diersoort.

1919 – Vleeskeuringwet

Deze wet werd in eerste instantie ingevoerd als bescherming van de volksgezondheid en in tweede instantie pas op het beperken van het leed van slachtdieren. Er was van nu af aan slechts één toegestane manier van slachten. Slachtdieren moesten, na bedwelming, zo snel mogelijk worden gedood door verbloeding (keel werd doorgesneden).

1920 – Uitbreiding van Artikel 254 Wetboek van Strafrecht

In de praktijk werd mishandeling van dieren door de rechterlijke macht nauwelijks bestraft; enkel als de wreedheid een doel op zich was, werd er beboet. Mishandeling of wreedheid vanuit een 'doel' (hetzij aansporing tot werken, hetzij uit andere economische of zelfs esthetische redenen (bijvoorbeeld gecoupeerde oren of staart voor tentoonstellingen) bleven onbestraft. In de uitbreiding van 1920 werd in de definitie het opzettelijk pijn of letsel toebrengen aan een dier "zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zoodanig doel redelijk toelaatbaar is" toegevoegd. De definitie bleef echter rekbaar en veel van wat behoorde te worden bestraft bleef vrijelijk toegepast.

1920 – Veewet

De Veewet was bedoeld om de dierengeneeskunde via veeartsen onder staatstoezicht te regelen. Ook werden voorschriften voor het vervoer van vee opgesteld.

1928 - Spoorwegwet

Als uitvloeisel van deze wet werden specifieke bepalingen toegevoegd over het vervoer van vee per trein.

clarogmuaaek15w1923 – Jachtwet

De jacht, die vooral was gericht op dieren, die 'schadelijk waren voor land- en tuinbouw', werd vanaf nu gereguleerd; in de wet stond wie mocht jagen en onder welke voorwaarden. Natuurbescherming was in de wet nog niet aan de orde.

1936 – Vogelwet

Het uitgangspunt was, dat geen enkele vogel als schadelijk kon worden aangemerkt en noemde minder uitzonderingen dan de wet van 1912. Echter, ook nu konden weer vrij gemakkelijk vergunningen voor uitzonderingsgevallen worden verkregen.

1954 – Jachtwet

Voor het eerst werd het belang van de natuur in de wet erkend. De belangen van land- en tuinbouw en de bescherming van diersoorten stonden primair. Jagers moesten zorg dragen, dat niet teveel landbouwschade werd aangericht (daarvoor kon de jager zelfs aansprakelijk worden gesteld), maar tegelijkertijd dat er steeds een redelijk aantal dieren in het gebied voorkwam.

1961 – Wet op de dierenbescherming

Eindelijk een eigen wet voor de bescherming van alle dieren! Hierin werd onder andere het verbod op trekhonden opgenomen, een verplichte vergunning ingesteld voor bedrijfsmatige activiteiten met honden en katten en werden gemeentes verantwoordelijk voor een zwervend dier.

1967 – Natuurbeschermingswet

De wet was gericht op de bescherming van planten en dieren, maar gold alleen voor dieren in natuurgebieden.

1977 – Jachtwet

In dit jaar werd de Jachtwet opnieuw aangescherpt. Onder meer werd een vergunningenstelsel en ook het jachtexamen ingesteld, dat men sindsdien moet afleggen voordat men mag jagen.

1977 – Wet op dierenvervoer

Hierin werden alle bestaande voorschriften op dierenvervoer onder één wet gevoegd. Er werden regels opgesteld voor de bescherming van dieren tijdens hun vervoer als uitvloeisel van de in 1968 goedgekeurde Europese 'Overeenkomst inzake de Bescherming van Dieren tijdens Internationaal Vervoer'.

1977 – Wet op de dierproeven

De invoering was bedoeld om het welzijn van proefdieren te beschermen.

De wet richtte zich op een verantwoord gebruik van proefdieren (toetsing aan de hand van de vier V's: verantwoord, verfijnd, vervangend en verminderd) en uiteindelijk in een vermindering van het aantal dierproeven.

1985 – Dierengeneesmiddelenwet

Deze wet regelde het gebied van het vervaardigen, handelen, invoeren, bezit en gebruik van dierengeneesmiddelen.

1990 – Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde

Beschreven werd wat onder diergeneeskunde wordt verstaan, dat enkel bij de overheid geregistreerde dierenartsen en enkele andere beroepen (paraveterinaire beroepen) diergeneeskunde mogen uitoefenen en de instelling van het veterinaire tuchtrecht.

1992 – Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD)

Deze wet was een zogenaamde 'kaderwet', waarin algemene regels werden opgesteld ter bevordering en bescherming van de gezondheid en het welzijn van door de mens gehouden dieren. Ieder dier werd een eigen intrinsieke waarde toegekend, dus niet de waarde die de mens er aan toekende. Tevens werd het verboden om bepaalde handelingen met dieren uit te voeren, tenzij in de wet stond dat deze handelingen zijn toegestaan.

1995 – Wet bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten

Het werd bij deze wet verboden om zonder vergunning beschermde of met uitsterven bedreigde uitheemse dieren of planten in te voeren, verhandelen, bezitten of vervoeren.

1997 – Wet op de dierproeven

De wet werd uitgebreid met een verbod op dierproeven voor cosmeticadoeleinden. De Europese Unie volgde dit verbod in 2009.

1997 – EU, Verdrag van Amsterdam

De Europese Unie erkent dieren officieel als wezens met gevoel en stelt dat Europese burgers en instellingen (zoals landbouw, visserij, wetenschap) rekening moeten houden met het dierenwelzijn.

1998 – Natuurbeschermingswet

Deze wet was een vervanging en aanpassing van die uit 1967, vooral omdat deze laatste niet voldeed aan de intussen gesloten internationale verdragen en Europese verordeningen op dit gebied. De Natuurbeschermingswet richt zich overigens uitsluitend op gebieden, niet op dier- of plantensoorten.

Dierenwetten in de 21e eeuw (tot nu toe):

2003 – Flora- en Faunawet

In deze wet wordt de bescherming van in het wild voorkomende planten en dieren in Nederland geregeld. Hierin worden bepalingen samengevoegd uit andere wetten, zoals de Nuttige dierenwet, Vogelwet, Jachtwet, Natuurbeschermingswet en de Wet bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten. Het is de erkenning van de intrinsieke waarde van het in het wild levende dier, zelfs al leveren ze niet direct nut op voor de mens.

2003 – Wet op de dierproeven

Als wijziging van de wet uit 1977 wordt een verbod ingesteld op het gebruik van mensapen (bijvoorbeeld chimpansees, gorilla's en orang-oetans) bij dierproeven.

2003 – Kaderwet diervoeders

In deze wet zijn regels opgesteld voor het vervaardigen van veilig voedsel voor dieren. Bepaalde stoffen (zoals dioxine) zijn niet of slechts beperkt toegestaan in diervoer. Deze wet richt zich in eerste instantie op de volksgezondheid en in tweede instantie op het welzijn van dieren.

2004 – Kalverbesluit

Huisvesting van kalveren in krappe boxen of kisten wordt verboden.

Voorgeschreven wordt huisvesting van deze dieren in groepen.

De Europese Unie volgt dit besluit in 2007.

2008 – EU, Verbod op handel in honden- en kattenbont

Vanaf 31 december 2008 verbiedt de Europese Unie de handel in honden- kattenbont in haar lidstaten.

2010 – Wet verbod seks met dieren

Na ruim 80 andere landen geldt ook in Nederland het verbod tot het plegen van ontuchtige handelingen met dieren of pornografie met dieren.

2012 - EU, Verbod op de legbatterij

Vanaf 1 januari 20 verbiedt de Europese Unie de legbatterij in haar lidstaten.

2013 – Wet dieren

Deze overkoepelende wet omvat c.q. vervangt de Wet op de dierenbescherming, Diergeneesmiddelenwet, Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde en de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD).

imagesTot slot

Veel is er al in wetten geregeld om dierenleed te beperken, maar de pakkans is tot heden nog veel te klein, het korte experiment met de dierenpolitie in 2011 ten spijt. Ook duurt het nog steeds te lang bij verwaarlozing en mishandeling van dieren voordat er gerechtelijk mag worden ingegrepen en het betreffende dier bijvoorbeeld in beslag genomen kan worden en/of de eigenaar wordt beboet of gearresteerd. Wat dat betreft is er nog een lange weg te gaan om dieren te beschermen tegen de wreedheid van mensen.

Click to listen highlighted text!